Te vaak was er dat ongemakkelijke gevoel. Een presentatie hier, een klantgesprek daar — telkens weer besefte Willem Schramade: te weinig mensen willen echt weten wat de impact van een bedrijf is en wat duurzaamheid betekent voor het verdienmodel.
Klanten waren enorm gespitst op scores, maar de kern bleef buiten beeld. “Ik voelde me te weinig nuttig,” zegt hij nu, terugblikkend op zijn banen als fondsmanager bij NNIP en adviseur duurzaam investeren bij Schroders.
In 2023 koos hij voor een nieuwe rol als hoogleraar Finance aan Nyenrode Business Universiteit, waar hij zijn missie voortzet: aantonen dat waardecreatie meer is dan financieel rendement.
In zijn jaren in asset management zag Schramade hoe duurzaamheid in veel beleggingsbeslissingen niet meer was dan een vinkje op een lijst. Klanten wilden wel “iets met ESG”, maar haakten af zodra het ingewikkeld werd. “Je probeert bruggen te slaan tussen financiële en duurzame logica, maar het gesprek blijft steken op ratings en scores. Dan houdt het op.”
Schramade hoopt meer impact te maken door direct in gesprek te gaan met bedrijven en colleges te geven aan studenten die wél willen weten hoe je duurzaamheid echt integreert in je strategie.
Een gesprek over de beperkingen van ESG-scores, waarom passief beleggen de markt dom maakt, en waar beleggers op moeten letten als ze sociale en milieuaspecten willen meenemen bij hun beleggingen.
Duurzaam beleggen is de laatste jaren een enorme hype geweest. Heeft het iets wezenlijks veranderd in de financiële wereld?
"Dat is een beetje de vraag. In mijn beleving blijft duurzaamheid veelal hangen in een apart hoofdstuk of een paar verantwoorde plaatjes in presentatiesheets met ESG-scores. Dat soort scores is vaak flut. Ze zeggen weinig over de echte risico's of kansen in het verdienmodel van een bedrijf. En iedereen gebruikt weer andere definities.
Wat ik liever zie: dat bedrijven duurzaamheid koppelen aan hun echte waardecreatie, dus aan omzet, kosten, marges en kapitaalbeslag. Veel ESG-informatie die wordt gegeven heeft niets te maken met de business en de waardedrijvers van een bedrijf. Of het verband ermee wordt niet gelegd.”
Vanaf dit jaar zijn bedrijven verplicht veel meer duurzaamheidsinformatie te geven. Is dat een positieve ontwikkeling?
"Het klinkt mooi: bedrijven moeten voortaan uitgebreid rapporteren over hun duurzaamheidsimpact. Maar de overlap tussen wat bedrijven wíllen weten – of zouden moeten weten – en wat ze nu moeten rapporteren is vaak schrikbarend klein. Als je een Venn-diagram zou maken tussen die twee, dan zie je twee cirkels die elkaar nauwelijks raken. We hebben nu jaarverslagen van 300 pagina’s vol vinkjes, zonder dat ze inzicht geven in wat echt belangrijk is: hoe duurzaamheid raakt aan het verdienmodel.
Stora Enso (een Fins-Zweeds verpakkingsbedrijf, red) noemt het woord ‘biodiversiteit’ bijvoorbeeld tweehonderd keer in het jaarverslag, maar geeft geen echte harde data. Dat is precies het probleem: veel woorden, weinig data. En daar komt bij dat veel duurzaamheidsmensen geen financiële achtergrond hebben – en andersom wordt juist weer te simplistisch over duurzaamheid gedacht. Dus die vertaling tussen duurzaamheid en finance mislukt vaak.
En wat het nog ingewikkelder maakt: veel beleggers zullen al die informatie niet echt gebruiken. Zeker passieve beleggers, die rapporteren over en stemmen bij duizenden bedrijven tegelijk, missen de tijd en prikkel om zich in te graven in al die rapportages. Daardoor werkt het systeem per saldo niet richting betere beslissingen, maar eerder richting meer compliance en een soort van schijnzekerheid. Dat sluit aan bij een bredere zorg: veel passieve beleggers hebben wel formeel stemrecht, maar gebruiken dat nauwelijks. Daardoor ontstaat een machtsvacuüm, waarin het management van bedrijven steeds minder wordt aangesproken op zijn langetermijnstrategie. En dat terwijl juist daar de échte duurzaamheidsvragen liggen.”
Is er dan helemaal geen vooruitgang?
"Het hangt er uiteindelijk vanaf hoe de bedrijven invulling zullen geven aan de regels. Sommige bedrijven zullen de verzamelde ESG-informatie gebruiken om hun strategie scherper te formuleren. Maar veel zullen vooral compliant willen zijn met alle regeltjes. En als belegger schiet je daar weinig mee op. Ik wil weten: wat zijn je CO₂-volumes? Wat is je biodiversiteitsimpact in meetbare eenheden? Alleen met dit soort informatie kan een belegger een inschatting maken van het risico dat een bedrijf wordt geraakt door nieuwe regelgeving of belastingen die milieuvervuiling tegen moet gaan.
De positieve kant is: we staan pas aan het begin. Dit hele systeem van duurzaamheidsverslaggeving moet nog ingroeien, volwassen worden. En als je het optimistisch bekijkt, dan zullen juist de bedrijven die profiteren – of minder nadeel dan concurrenten hebben – van meer duurzaamheidsregels vooroplopen. Dat zie je nu eigenlijk al bij een bedrijf als Outokumpu, een Fins roestvrijstaalbedrijf. Hun uitstoot is veel lager dan bij gewoon staal, en ook binnen roestvrij staal behoren ze tot de schonere producenten. Ze leggen ook duidelijk uit in hun presentaties dat, als er een koolstofbelasting komt, Outokumpu daar weinig last van zal hebben. Sterker nog, die komt hun concurrentiepositie zelfs ten goede. Als zij laten zien: onze footprint is aantoonbaar lager dan die van concurrenten, dan ga ik als belegger natuurlijk ook vragen stellen aan een ArcelorMittal, een Nucor of een Aperam: hoe zit het bij jullie?
Maar dan heb je wél beleggers nodig die die vragen ook echt stellen. Geen passieve indexvolgers, maar actieve investeerders met geconcentreerde portefeuilles. Het is in die zin een wisselwerking: betere rapportage stimuleert vragen, maar alleen als er een markt is die die informatie ook echt wil gebruiken. Ik hoop op een wat intelligentere markt.”
Waarom stellen veel beleggers zich zo weinig activistisch op?
"Deels uit angst. Carrièrerisico’s, institutionele logheid, gebrek aan expertise. Maar ook omdat het systeem grotendeels passief belegt (denk aan indexbeleggen, red). Als je in duizenden bedrijven zit, ga je vanzelf managen op vinkjes in plaats van de inhoud.
En dat is dodelijk voor échte lange termijn waardecreatie. Bovendien ontstaat er zo een soort machtsvacuüm: passieve beleggers hebben enorm veel stemrecht, maar gebruiken het nauwelijks inhoudelijk. Daardoor heeft het management in veel bedrijven vrij spel, zonder dat iemand echt doorvraagt over hun strategie of duurzaamheid. Dat is slecht voor beleggers én voor de maatschappij.”
U pleit dan ook voor meer geconcentreerde portefeuilles bij pensioenfondsen. Hoe realistisch is dat?
" Het is misschien haalbaarder dan veel mensen denken. De logica is simpel: als je met minder bedrijven werkt, kun je die bedrijven beter kennen. Dat betekent dat je betere gesprekken voert, beter kunt stemmen en echt verantwoordelijkheid neemt. Er zijn fondsen, ook in Nederland, die daarmee experimenteren. Die bijvoorbeeld hun aandelenportefeuille terugbrengen van duizenden naar een paar honderd posities. Dat is nog steeds breed, maar het maakt wel uit. Je ziet dan dat engagement dieper wordt en niet langer gaat over procedurele zaken, maar over de kern van het bedrijfsmodel.
En ik denk dat de druk van buitenaf – van burgers, politiek, media – daarin ook gaat helpen. Als je als pensioenfonds kunt laten zien dat je bewust kiest voor bedrijven die bijdragen aan oplossingen, en niet alleen afwacht, dan win je ook aan legitimiteit. Maar daar hoort wel bij dat je keuzes maakt. Je kunt niet alles hebben: rendement, gemak én impact zonder offers. Dus ja, er zijn kansen, maar het vraagt visie en lef. En misschien vooral: bestuurders die hun nek durven uitsteken."
Maar hebben pensioenfondsen wel de expertise om zulke geconcentreerde portefeuilles goed te beheren?
"Dat is een terechte vraag. In veel gevallen niet. En dat is ook precies waarom het nu vaak niet gebeurt. Als je écht met bedrijven in gesprek wilt, moet je niet alleen de financiële cijfers snappen, maar ook de duurzaamheidsthema’s en hoe die zich vertalen naar cashflows en risico’s. Dat vereist een ander profiel van beleggers en analisten dan wat nu gangbaar is.
Dus als je zo’n stap wilt zetten als fonds, moet je investeren in capaciteit en kennis. En ja, dat kost geld. Maar het alternatief is dat je blijft doorsukkelen met een portefeuille die je niet echt begrijpt en waarin je geen verschil maakt. Dan rijst de vraag of je als fonds nog voldoet aan je fiduciaire plicht. En er hoort ook bij dat je goede mensen levert aan de andere kant van de tafel: commissarissen die niet alleen op governance letten, maar ook echt verstand hebben van duurzaamheid en strategie. Als je als fonds écht invloed wilt uitoefenen, moet je dat ook via de boardroom kunnen doen. Ik denk dat we toe zijn aan een nieuwe generatie beleggers die beide talen spreekt: financieel én duurzaam."
Er is ook vaak de vrees dat duurzaam beleggen ten koste van het rendement gaat..
"Dat hangt ervan af hoe je het doet. Er zijn eigenlijk twee ‘assen’ in duurzaam beleggen. Eén: duurzaamheid als integraal onderdeel van je fundamentele analyse. Dan houd je rekening met duurzaamheidsfactoren om betere risico-rendementsafwegingen te maken. Denk aan het risico dat een kolenbedrijf mogelijk met stranded assets blijft zitten. Deze as van duurzaamheid kost zelden rendement.
Twee: impact maken. Dan wil je echt verschil maken in de wereld – en ja, dat kán soms wat rendement kosten, zeker op de korte termijn. Denk aan betaalbare woningen. APG en PGGM doen dat bijvoorbeeld heel gericht, onder andere via hun fondsen voor middenhuur. Zo’n fonds dat maar een heel klein deel van de totale investeringsportefeuille uitmaakt accepteert iets lagere huurinkomsten om maatschappelijke impact te realiseren. Op portefeuilleniveau scheelt dat hooguit een paar basispunten aan rendement. Maar voor de achterban – gepensioneerden die misschien zelf moeite hebben met woonlasten – is het effect enorm. Dan gaat het ineens wél over echte waardecreatie.”
Tot slot: hoe moet een particulier duurzaamheid meenemen in zijn beleggingen?
"Zoek naar bedrijven waarbij duurzaamheid een kans is in plaats van een kostenpost. Denk aan ondernemingen die klaarstaan om te profiteren van hogere CO2-prijzen of strengere milieuwetgeving. Dat levert optie-waarde op – een verborgen motor onder de koers.
Probeer ook verder te kijken dan bekende namen als Schneider Electric. Inmiddels is het iedere belegger wel duidelijk dat dit bedrijf zal profiteren van de elektrificatie van ons energiesysteem dus dat is in het aandeel wel ingeprijsd. Interessanter zijn de minder bekende spelers zoals Aalberts, die in nichemarkten opereren en nog niet volledig gewaardeerd worden op hun duurzaamheidspotentieel. Kijk naar de fundamenten, naar concurrentievoordelen en naar hoe duurzaamheid echt bijdraagt aan hun waardecreatie.”